Zoeken      nl | fr
 
Interview met Robert Lebeau  

Het keerpunt van de Paralympische Spelen in Peking

Robert Lebeau leidde de Belgische paralympische delegatie in Peking, een maand na de gouden medailles van de Olympische Spelen. Hij blikt voor ons terug op de campagne en trekt de nodige lessen uit een ontnuchterende deelname.

Wat is uw analyse van de resultaten die de Belgische delegatie in Peking neerzette?

Uit Athene keerden we terug met zeven medailles. Peking leverde ons maar één medaille op (*). Dat lag ver onder de verwachtingen. Die waren immers hooggespannen door de resultaten van onze atleten tijdens de wereld- en Europese kampioenschappen die de Paralympische Spelen voorafgingen. In dat opzicht was het dus wel degelijk een ontnuchtering. Maar we kunnen het ook anders bekijken. We hebben andere doelstellingen gehaald en zelfs overtroffen. Zo beoogden we dat 50 % van onze atleten in de top 8 van hun respectieve disciplines eindigde. Uiteindelijk slaagde ongeveer 75 % in die opzet. Ook de evolutie van het Belgische goalbalteam tijdens deze Spelen heeft ons blij verrast. Kortom, er waren goede en minder goede kanten aan onze deelname.

Wat zijn volgens u de oorzaken van deze relatieve mislukking?

Ik denk ten eerste dat de druk in bepaalde gevallen te groot was. Sommige atleten wisten niet altijd goed om te gaan met hun favorietenrol en slaagden er niet in de gewekte verwachtingen in te lossen met concrete resultaten. Sommigen zijn er mentaal volledig onder doorgegaan. Plots slaagden ze er niet meer in atleten te verslaan die ze in normale omstandigheden makkelijk aankunnen. Dat is één verklaring. Maar er zijn er andere. Zo hebben de concurrenten een enorme vooruitgang geboekt. Vroeger volstond het om een goede amateur te zijn in je sport om een medaille in de wacht te slepen. Vandaag is dat lang niet meer voldoende. De lat is in alle sporten flink wat hoger gelegd. Dat blijkt ook uit de groeiende professionalisering van de begeleiding en de voorbereiding van de atleten. Zo maken stressmanagement, een medisch-wetenschappelijke voorbereiding, voedingsprogramma’s en een fysiologische voorbereiding allemaal deel uit van het programma bij heel wat delegaties. In België zijn we helaas nog niet aan zo’n aanpak toe, vooral dan in Wallonië.

Hoe zat het tijdens de Paralympische Spelen met de weersomstandigheden en de milieuproblemen in Peking, een maand na de OS?

De omstandigheden waren echt zeer goed, waarschijnlijk nog beter dan tijdens de Olympische Spelen. Dat is onder meer te danken aan de beslissing van China om de preventiemaatregelen tegen pollutiepieken met enkele weken te verlengen: fabrieken bleven gesloten, het autoverkeer werd beperkt, enz. Je kon er dus vrij ademen en de temperaturen waren heel draaglijk. Voor het vertrek hadden we onze atleten nogmaals op het hart gedrukt veel te drinken om een zonneslag te voorkomen, en zich te beschermen tegen de zon. Ter plaatse vroegen ze zich af waar al die drukte voor nodig was. Ze hebben niet de minste problemen ondervonden. Ik moet zeggen dat de organisatie echt onberispelijk was. De organisatoren hadden zich geen enkele moeite gespaard om voor iedereen de best mogelijke omstandigheden te creëren. Voor mij vormen deze Paralympische Spelen echt een keerpunt. Hun omvang, de organisatie en de aandacht van de media maken dat ze zijn uitgegroeid tot een volwaardige, zij het iets lichtere versie van de Olympische Spelen. Op ons niveau uitte zich dat ook door de uitreiking van de Ernst & Young-premie aan de Belgische medaillewinnaar, een heuse primeur.

Wat moet er, op basis van deze eerste ervaring, volgens u worden veranderd aan de voorbereiding en begeleiding om de Belgische gehandicaptensport naar zijn beste niveau te tillen?

Er is heel wat werk aan de winkel. Ten eerste moeten we onze manier van voorbereiden volledig herzien om onze atleten verder te professionaliseren. Dat geldt ook voor de instanties die verantwoordelijk zijn voor de begeleiding en de selectie. Wat de sportieve begeleiding betreft moeten we alle betrokkenen warm maken voor het belang van een nauwere medische, voedings-, fysiologische en psychologische opvolging. De planningen moeten ook gedetailleerder worden en beter afgestemd op de specifieke kenmerken van elke sport, elke discipline en zelfs elke handicapcategorie.

En de stages?

Ook daar kan het beter. Op ons niveau zijn volgens mij verschillende voorbereidingsstages nodig. Maar dan wel korter dan die van een week in het gespecialiseerde centrum van Bourges in Frankrijk. Dat is natuurlijk moeilijk in praktijk te brengen. Vergeet niet dat de begeleiders van deze atleten (coaches, kinesitherapeuten, artsen, enz.) allemaal vrijwilligers zijn. Wij moeten uiteraard rekening houden met hun beperkte beschikbaarheid voor we nieuwe trainingen inplannen. Een van de oplossingen ligt volgens mij in de groeiende samenwerking met en integratie van sommige paralympische sporten in de internationale sportbonden voor validen, en de repercussies daarvan op nationaal niveau. Wij werken bijvoorbeeld al samen met heel wat nationale federaties bij de organisatie van specifieke opleidingsmodules voor gehandicaptensport binnen de opleiding van kaderleden. Die dynamiek zorgt voor meer en meer professionalisme.

Het professionalisme is een medaille met twee zijden. Enerzijds heb je de betere prestaties, maar de keerzijde zijn de uitwassen. Is daarvan al iets te merken bij de Paralympische Spelen?

Doping blijft een zeer delicaat onderwerp in de gehandicaptensport. Het ideaal van de zuiverheid staat daar immers erg hoog aangeschreven. Toch zijn er verschillende elementen die ons nopen om er rekening mee te houden. De toenemende concurrentie, de selectiesystemen, de premies, de bekendheid ... Allemaal aspecten die ook sommige van deze atleten ertoe kunnen brengen eender wat te doen om een titel in de wacht te slepen. En doping is niet het enige. Het begint al met kleine dingen. Je kunt je bijvoorbeeld laten toewijzen aan een lagere categorie, zodat je meer kans hebt om uit te blinken. Sommigen durven hun reële handicaps te overdrijven, bijvoorbeeld door opzettelijk bepaalde bewegingen te beperken. Dat druist regelrecht in tegen het doel dat de pioniers van de Beweging hadden. Zij wilden deze mensen immers helpen om hun handicap te overwinnen. Anderzijds moeten we begrip opbrengen voor het probleem waarmee sommige atleten kampen. Door hun sportbeoefening hebben ze hun fysieke capaciteiten zo verbeterd dat ze in een hogere categorie worden ondergebracht en dus hun lange tocht naar de olympische top bijna van nul moeten herbeginnen. Een andere grote moeilijkheid voor sportieve gelijkheid is het gebrek aan een precieze reglementering voor de technische kwaliteiten van sommige wedstrijdprothesen, bijvoorbeeld op de 400 en 800 meter. De prestaties van die prothesen kunnen nochtans dag en nacht verschillen.

En als u de balans opmaakt voor u persoonlijk?

Het was echt een uniek avontuur. Ik heb alle deelnemers van de Belgische delegatie leren kennen en waarderen. En wat een evenement! Eén beeld zal me altijd bijblijven: het aansteken van de vlam in het stadion. Een atleet in een rolstoel die zich louter op armkracht een tiental meter omhoog trekt om de vlam aan te steken met de paralympische fakkel. In het duister en in absolute stilte. Enorm ontroerend. Ik vind het echt jammer dat de Belgische media niet meer aandacht aan het evenement hebben besteed. In Peking waren er nochtans dubbel zoveel buitenlandse correspondenten als in Athene. En ook dat bewijst dat deze Paralympische Spelen van Peking echt een keerpunt vormen!

(*) De wielrenner Jan Boyen, bronzen medaille in de achtervolging (categorie LC2)

 
BOIC - Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité vzw | Boechoutlaan 9 - 1020 Brussel | copyright © - alle rechten voorbehouden Inloggen